Dieren.

Iedereen die wel eens bij mij langs is geweest, weet het. Het valt ook moeilijk te negeren, want het geluid dat uit die kleine keeltjes komt is soms oorverdovend. Toch hou ik van ze, mijn kleine zebravinkjes.

Al zo lang ik me kan herinneren hebben we thuis huisdieren gehad. Bijvoorbeeld onze poes, Flippie, die graag over het hek klom, een hekel had aan het tuigje waarmee we hem probeerden te beteugelen, af en toe een muis of vogel thuisbracht (tot grote ontsteltenis van mijn moeder, die de halve avond kwijt was aan het schoonschrobben van de vloer) en tragisch aan zijn eind kwam toen hij op een winterse dag door het ijs zakte en verdronk.

Ik herinner me ook de zebravinkjes die we af en toe door de slaapkamer lieten vliegen, tot grote hilariteit van ons, kinderen, die er joelend achteraan renden (wederom tot ontsteltenis van onze moeder). En ergens in die tijd passeerden ook diverse koppeltjes hamsters (waarvan er eentje zijn leven eindigde in een beschuitbus met hamstervoeding), muizen (ik had er eentje genoemd naar het meisje waar ik verliefd op was) en konijnen de revue.

Kortom, wij hebben thuis altijd huisdieren gehad.

Waarom?
Gewoon, omdat het kon. En waarschijnlijk omdat onze ouders dachten hiermee ons wat verantwoordelijkheidsgevoel aan te leren. Ik weet niet of dat gelukt is, maar ik weet wel dat ik sindsdien bijna altijd wel ergens een huisdier heb gehad. En dat ik er van geniet.

Mijn zebravinkjes hebben sinds kort een stuk of drie jongen. Het is echt geweldig om te zien hoe ze hun kroost verzorgen. Telkens als de ouders het nestje invliegen, gaan de snaveltjes van de jonkies omhoog en produceren ze een gekrijs dat neerkomt op “mamma, ik wil meer, meer, meer!”. Ze zijn nog zo hulpeloos, zo totaal afhankelijk van hun ouders. Ik vind het prachtig om te zien en ik geniet met volle teugen van het leven dat voor mijn ogen tot bloei komt.

Leven
God houdt ook van het leven. En daarom zit ik als christen met een probleem. En dat betreft de dieren die we eten. Specifieker, de manier waarop we omgaan met de dieren die God ons heeft gegeven. De meeste mensen houden wel van een stukje vlees op z n tijd. Maar als je zou weten uit wat voor vleesfabrieken die lekkere kippetjes, rollades en gehaktballen komen, dan vergaat je toch wel de eetlust.

Dieren die hutje mutje boven op elkaar zitten, nauwelijks leefruimte hebben en vol ziekten en gebreken zijn… Ik vraag me soms af, zou God niet een keer gaan ingrijpen? Wanneer is het leed dat we de dierenwereld aandoen, genoeg geweest voor God? Ik kan me namelijk niet voorstellen dat God de manier waarop wij met dieren omgaan goedkeurt. Als ik me het Koninkrijk van God voorstel, past in dat beeld geen megastal met tienduizend kippen.

Bekommeren
Daarom wil ik voorstellen aan ieder die dit leest: denk na over wat je eet. Ik zeg niet dat je helemaal moet stoppen met vlees eten. God heeft ons dieren tot voedsel gegeven en daar is niks mis mee. Maar ik denk dat God ons ook de opdracht gegeven heeft om goed voor hen te zorgen. Zoals wij goed zorgen voor onze huisdieren, zo moeten we ons ook bekommeren om de kippenpoot voordat de kip daar tot gereduceerd is. God houdt namelijk van het leven:

Aan ons de taak om daar goed voor te zorgen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *